‘DE STARTBAAN IS KORT EN HOBBELIG. Gelukkig is het sisal op sommige plaatsen versleten en daardoor wat gladder. Op die gladde stukken blijven de wielen onder mijn vliegtuig goed op hun plek. Ik heb een nieuw vliegtuig; het oude heb ik vernieuwd met onderdelen die ik overhad van andere toestellen. Het is een vreemde machine. Ik heb hem nog niet beschilderd en ook de emblemen zitten er nog niet op. De ramen van de cockpit zijn door de lijm wat troebel geworden, maar ook met weinig zicht kan ik er uitstekend mee vliegen. De motoren brommen gestaag.
Ik hobbel een kort stukje over de startbaan. Het toestel trilt. Snel de lucht in. Langzaam sta ik op. Het vliegtuig draait hoger en hoger tot het niet meer verder kan. Beneden mij ligt het rechthoekige slagveld. Er is sinds gisteren weinig aan veranderd; het is er nog rustig. Maar voor vanmiddag heb ik afgesproken met de vijand. Hij neemt zijn nieuwe vliegtuig mee, een eigen versie van de JUNCKERS 88.
Ik draai wat oefenrondjes met mijn nieuwe vliegtuig. Met mijn vrije hand pak ik mijn oude HURRICANE van de grond. De beide toestellen zweven eerst stationair in de lucht en kijken elkaar aan. Plotseling schieten ze weg. Met grote snelheid draaien ze om elkaar heen, dan weer hoog, dan weer laag. Steeds sneller en sneller. De motoren maken een hels kabaal. Er wordt over en weer geschoten.
Dan struikel ik over het krukje en knal tegen de deur. De HURRICANE raakt zwaar beschadigd. De complete rechtervleugel laat los. Ik probeer met mijn vingers het toestel bij elkaar te houden, maar druk hierdoor ook nog eens het landingsgestel plat. De vleugel breekt en valt met een doffe klap in het zilverzand van het slagveld. Mijn nieuwe vliegtuig is gelukkig nog heel. Ik zet het voorzichtig op de grond. De GAME is OVER. Vanmiddag verder.’
Te land en in de lucht Koos van Duinen
In het voorwoord bij het boek ‘Nachtvlucht’ van de vlieger-schrijver De Saint-Exupéry, schest de voormalige Nederlandse vliegenier Viruly een wereld van motorgeronk, vonkende bougies en vleugels vol licht ontvlambare benzine. Mannen waren het, die nog vlogen in toestellen waarvan de motoren er soms zomaar mee ophielden en die afhankelijk waren van een kilogram meer of minder oliedruk. ‘Nachtvlucht’ vertelt het verhaal van de vlieger Fabian, die zichzelf toevertrouwde aan de motor, het dashboard en de vleugels van zijn machine, en beschrijft hoe hij met zijn toestel verloren ging in de nacht.
‘Weer boog hij zich overboord. Hij werd gehinderd door de vuurpluim uit de uitlaat die als een vlammend bouquet onderaan de motor wuifde. Hij keek ernaar – in de storm was het gevlochten vuur als dat van een toorts. Iedere halve minuut keek Fabian naar de controleur, de vol en het kompas. Hij durfde het rode schijnsel over het dashboard niet meer aan te steken, omdat dit hem te lang zou verblinden. Maar alle wijzers en cijfers van de instrumenten straalden als bleke sterren hun flauwe radiumlicht uit. Er ging een bedrieglijk vertrouwen van uit – de nacht, met al zijn klippen, verborgen wrakken en uitstekende kapen, sloeg in golven om de machine met een vreemde noodlottigheid.’
(Antoine de Saint-Exupéry, Nachtvlucht)
Tekst 2: Achtergrond bij de installatie ‘GAME OVER’
Deze tekst legt de filosofische en nostalgische betekenis uit achter het werk van Albert Dedden en Paul Keizer.
Jongens waren ze Jongens waren ze. Ze hadden niet alleen de wereld in hun zak, door het spel dat ze speelden waren ze ook de helden van het luchtruim. Iedere cent die ze te besteden hadden, ging op aan stripverhalen waarin koene kerels, gezeten in de nauwe cockpits van hun gevechtsvliegtuigen, elkaar uit de lucht schoten. Die helden wilden ze zijn; in die wereld lag hun bestemming. Hun grootste verlangen ging in vervulling als ze voor hun verjaardag weer een nieuwe bouwdoos kregen, zoals de JUNKERS 87. Jongens waren ze, en zo verstreek de tijd.
Een Duits gezegde luidt: In jedem Mann ist ein Kind versteckt. Voor de kunstenaars over wie deze inleiding gaat, geldt dit zeker. Albert Dedden en Paul Keizer verplaatsen zich in de ‘jongens die ze waren’ en geven het spel dat zij als kinderen speelden weer ‘vrij baan’. Hun jongenswereld was de wereld van het vliegen, bevolkt door vele helden. Namen als Lindbergh, Wright, Santos-Dumont, Lilienthal, Byrd en Viruly riepen voor hen een sfeer op van avontuur en romantiek. In het spel dat de jongensdromen van deze twee kunstenaars kenmerkt, verheffen de helden zich van de grond om de strijd aan te gaan met de wederzijdse vijanden en met ‘de elementen van de natuur’.
Die houding herinnert aan een citaat uit het tijdschrift voor kunstgeschiedenis Beeld: “Kunst is alleen nog spel en ieder die wanhoopt, verstoort de lol” (nr. 1/2 1989). Dedden en Keizer verbeelden deze periode van hun leven in hun installatie ‘GAME OVER’. Hun MUSTANG is aan de grond gezet en de jongenswereld, waarin het ‘spel’ de essentie van hun bestaan vormde, is verloren gegaan. Doch als kunstenaars willen zij het spel opnieuw spelen, maar dan met de wetenschap dat door de constructie van ‘machines’ een nieuwe waarde kan worden gevonden.
Deze constatering vormt het concept van hun installatie, die bestaat uit verschillende elementen. Centraal staan de bouwdozen die om hun inhoud zo begeerd zijn, en waarin zich de onderdelen bevinden waarmee Dedden en Keizer hun ‘wereld’ vorm willen geven. Die ‘wereld’ wordt in het begin ervaren als een abstract gegeven, maar tijdens de constructie ervan ervaren de kunstenaars de contradictie van de wordende wereld die verloren gaat.
In deze gedachtegang ligt de betekenis van ‘GAME OVER’ besloten: de ontdekking dat naarmate de wereld meer wordt geconstrueerd, zij ook meer verliest, en dat de mens deelt in dit verlies. Hoe meer de ‘jongenswereld’ van Albert Dedden en Paul Keizer werd ingevuld, des te meer…
Pagina 3: Constructie en verlies
Over de filosofie achter de kunstwerken en de referentie naar andere kunstenaars.
De wetenschap hanteert de wereld als een bouwdoos, waarin alle onderdelen die de wereld vormen zijn gerangschikt en gecodeerd. Kunstenaars hebben tot taak de wetenschap kritisch te volgen en, waar mogelijk, te relativeren. Kunstenaars zijn dromers; zij trachten met hun werk bij te dragen aan een ‘wereld in wording’, terwijl zij tegelijkertijd de bestaande wereld ter discussie stellen. De kunstwerken die hierdoor ontstaan, zijn objecten die de verbeelding prikkelen. “Wanneer je de machine respecteert en ermee gaat spelen, kun je misschien een vrolijke machine maken – en met vrolijk bedoel ik ‘vrij’”, zei Jean Tinguely, die bouwde aan zijn nutteloze machine-sculpturen.
Een vergelijkbare ‘nutteloosheid’ kenmerkt de objecten van de Belgische kunstenaar Panamarenko. Hier is echter sprake van een soort pseudo-wetenschap, zij het een volkomen gefingeerde. Panamarenko’s bijdrage aan de hedendaagse kunst is een ironische poging om de autonomie van de wetenschap aan de kaak te stellen. In tegenstelling tot deze twee kunstenaars gaf de Russische kunstenaar Tatlin vorm aan zijn ‘Letatlin’, een ‘vliegtuig’ bedoeld om beeldende kunst en wetenschap in een sculpturale poging bijeen te brengen.
In het gezelschap van deze kunstenaars bevinden zich Albert Dedden en Paul Keizer. Ook zij hanteren de metafoor van het ‘vliegen’: het loskomen van de beperkingen die de mens zijn opgelegd. Maar ook in hun positie, waarin zij de constructie van de ‘machine’ ter hand willen nemen, ervaren zij het ‘défaut humain’, het menselijk tekort. In deze gedachtegang ligt de betekenis van ‘GAME OVER’ besloten: de ontdekking dat naarmate de wereld meer wordt geconstrueerd, zij ook meer verliest. Hoe meer de ‘jongenswereld’ van Dedden en Keizer werd ingevuld, des te meer kennis ze verwierven over die wereld, maar daarmee raakten ze tegelijkertijd verder verwijderd van het oorspronkelijke spel. Een paradijs ging verloren.
‘En er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen voerden oorlog tegen de draak. Ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand houden en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd op de aarde geworpen; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.’ (Openbaring 12:7-9)
Albert Dedden en Paul Keizer hebben voor hun installatie bewust gekozen voor een specifieke omgeving. De gotische kerk waarin ‘GAME OVER’ is geplaatst, was in vroegere tijden de ruimte waarin aandacht werd geschonken aan spirituele handelingen en de daarmee samenhangende symboliek. De keuze voor een dergelijke ruimte transformeert de installatie en geeft deze een diepere betekenis dan het spel alleen. Het spel dat de mens speelt, staat immers niet los van wat er gebeurt in de hem omringende wereld. ‘GAME OVER’ verbeeldt onze behoefte om goede doelen na te streven, maar toont tevens aan dat die bedoeling kan stranden door tegenstrijdigheid. In het (lucht)gevecht tussen goed en kwaad wordt het kwaad op de wereld geworpen en verkeert het onder de mensen.
De kunstenaars stellen hier echter iets tegenover. Waar het kwaad zich manifesteert als de donkere zijde van het bestaan, tonen de beelden in ‘GAME OVER’ zich in een grote lichtheid. De keuze die de kunstenaars maakten voor het ‘wit’ van de beelden staat symbool voor de bedoeling van hun installatie: het vliegen als een verlangen naar vrijheid.
‘GAME OVER’ verbeeldt de metafoor van het zoeken en het navigeren met behulp van oriëntatiepunten, om zo een antwoord te vinden op de vragen: “Waarop koers ik en hoe vind ik mijn doel?” De vraag van Paul Keizer: “Als je de handleiding volgt, bouw je dan de wereld goed in elkaar?”, is de reden voor het spel waartoe de kunstenaars hebben besloten.
Koos van Duinen, augustus 1998